Met zestien sporten, 3500 atleten en 198 medailles zijn de Winterspelen een gigantisch evenement. Wie alles wil zien, krijgt sowieso vierkante ogen. Zeven locaties, sporten of sporters om in de gaten te houden.
Voor Nederlanders is de Fiera Milano de belangrijkste locatie op de Olympische Spelen. Daar wordt het langebaanschaatsgoud verdeeld. De grote vraag is hoe snel het ijs is in de Fiera Milano, een complex vergelijkbaar met de Utrechtse Jaarbeurs. Italianen staan bekend om hun ijs, maar dan wel de eetbare variant. Daarom is er buitenlandse expertise aangetrokken. Mark Messer, die normaal de schaatsbaan in Calgary bestiert, is een expert en heeft al op diverse Spelen een prima ijsvloer neergelegd.
Op de Spelen in Milaan en Cortina is een voor veel kijkers nieuwe sport te zien: skimo, kort voor ‘ski mountaineering’. In deze discipline, die in het Nederlands toerskiën wordt genoemd, beklimmen deelnemers een helling met speciale ruwe vellen onder hun ski’s, gevolgd door een afdaling. Skimo bestaat al sinds de achttiende eeuw, maar ontwikkelde zich pas eind vorige eeuw tot georganiseerde wedstrijdsport. Vanaf 1924 was een skimo-variant ook al een olympische discipline, destijds onder de naam ‘militaire patrouille’. Na de Tweede Wereldoorlog werd die vervangen door biatlon. Dat toerskiën nu in deze vorm debuteert, is logisch: Italianen zijn toonaangevend in deze sport.
In de aanloop naar Milaan was er veel rumoer rondom Joy Beune en Kjeld Nuis. Deze twee schaatsers zijn toevallig ook nog eens een stel. Beune miste kwalificatie op de 1500 meter, de afstand waarop ze regerend wereldkampioen is. Haar vriend Nuis kwalificeerde zich op die afstand ook niet, maar mag zijn olympische titel toch verdedigen, na ingrijpen van de keuzecommissie. Het schaatsstel zal veelvuldig in beeld zijn. En samen gaan ze voor een kwartet aan gouden olympische plakken.
Tekst: Maarten van der Meer